Voor hem reikt de creatieve industrie niet verder dan de podiumkunsten. Maar zijn gedachten over hoe die beter kan samenwerken om de concurrentiekracht van Nederland te vergroten, reiken verder dan concertzalen, schouwburgen en muziekgebouwen. Tino Haenen, algemeen en artistiek directeur van Muziekgebouw aan ’t IJ in Amsterdam: “De Nederlandse creatieve industrie is in zichzelf gekeerd.”
“Ik hoor het in het buitenland zo vaak, en dat is echt een imagoprobleem lijkt mij: in Nederland zijn ze teveel met zichzelf bezig. Musici, componisten, ensembles, commissies, commissies: iedereen kijkt naar elkaar. In Nederland heb je een enorme hoeveelheid ensembles en componisten in vergelijking met België. Ik tel hier zomaar 500 componisten, in België heb je er misschien 50. Toch willen al die Vlaamse podiumkunstenaars naar het buitenland, ze moeten wel, zeggen ze, omdat hun afzetkanaal te klein is, terwijl die Nederlandse ensembles en orkesten elkaar liever in eigen land op een overvolle markt voor de voeten lopen. Op enkele oudere orkesten na, zoals het Concertgebouworkest en Rotterdams Philharmonisch Orkest. Die trekken wel de hele wereld over naar Japan, China enzovoorts, en misschien dat het Brabants Orkest eens naar Amsterdam gaat, maar voor het overige wil iedereen liever in eigen tuin zijn eigen ding doen.”
Bill Viola
Soortgelijke ‘eigen tuinen’ vindt Haenen in de versnippering van het expositieaanbod terug. Laatst bijvoorbeeld in Tilburg, een tentoonstelling van Bill Viola, een van de grondleggers van de videokunst. In Tilburg, herhaalt hij. Zo’n tentoonstelling zou in België alleen maar in Antwerpen of Brussel kunnen zijn. En zo ziet hij ook belangrijke tentoonstellingen in Groningen, Enschede, Breda enzovoorts. “Overal heb je in dit land interessante musea. Prachtig die democratische spreiding, maar waarom is dat. Om iedere stad een keertje z’n zin te geven, opdat niet alles plaatsvindt in de hoofdstad? Laat iedereen nou eens uit zijn eigen tuintje komen en met elkaar gaan praten.”
Poldermodel
“Kijk, ik woonde in 1974 in Brussel, en dat was toen nog echt een provinciestadje. Met vrienden gingen we naar Amsterdam omdat je hier wel die Engelse boeken kon kopen. Met de komst van de Europese Unie is Brussel echt een internationale stad geworden, maar Amsterdam, en dan moet ik echt een beetje streng zijn, is eigenlijk blijven stilstaan. Dat komt doordat Amsterdam en Nederlanders onderling erg gesloten zijn. Naar buiten toe heeft iedereen in dit land gek genoeg wel een open mind. Maar die vrijheid wordt tot in het absurde doorgetrokken. Eén iemand is in staat een heel proces te blokkeren en dat is wat kennelijk steeds meer is gebeurd. Ik kan erover mee praten. Met ons gebouw zitten we op de rand van twee stadsdelen en dat geeft vaak veel gedoe. Iemand hoeft iemand anders maar niet te mogen, en alles staat stil. Dat poldermodel zit enorm in de weg. En waar leidt dat toe? Laat mij maar op mijn stukje land, dan mag jij doen waar jij zin in hebt, ook al ben ik het daar helemaal niet mee eens. Een brug wordt niet naar elkaar geworpen, iets wordt mopperend en knorrend gedoogd. Als iedereen zo zijn eigen ding op zijn eigen landje blijft doen, kun je ook niet tot goede samenwerking komen. Maar samenwerken kunnen Nederlanders slecht. Want als je wilt samenwerken, moet je een deel van je identiteit prijsgeven. En de vrijheid van het individu is een zeer groot goed in Nederland.” Peinzend: “Er heerst echt een spanning tussen dat sterke individualisme en de openheid van Nederlanders. Simpel gezegd, ze staan overal open voor, ze willen de wereld verkennen, op stap en op reis, maar ze nemen in de caravan op weg naar het buitenland wel een blik boerenkool mee. Een Belg gaat ook met de caravan, maar doet inkopen op de locale markt en toont daarmee net iets meer interesse.”
Bundelen
Toch doen: “Nederland moet de creatieve krachten veel meer bundelen. Waarom koppel je evenementen niet aan elkaar. Stel je wilt de grote Griekse componist Iannis Xenakis herdenken. Je zou grote Griekse tragedies kunnen uitvoeren in de Stadsschouwburg, zijn grote orkestwerken in het Concertgebouw en de kleinere solo en ensemblestukken in Muziekgebouw aan ’t IJ. In Arcam een architectuurtentoonstelling, en wellicht in het Stedelijk een tentoonstelling moderne Griekse kunst. Dat is een manier om de stad creatief tot leven te wekken, zodat er ook echt wat gebeurt. Een kunstenaar samen oppakken zoals al die cultuurinstellingen ook kunnen samenwerking tijdens het Holland Festival. En dat kun je doortrekken naar grotere thema’s en meerdere creatieve disciplines. Pas met een cross-over samenwerking zet je wat groots neer.”
Fortuyn
Of die samenwerking tussen al die sterke individuen lukt? “Ik woon hier pas een jaar, en ik ken als Vlaming Nederland enkel via Amsterdam, dus mij past enige schroom, maar toch, ik merk dat Nederland is veranderd. Dat heeft denk ik alles te maken met de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh. Die twee gebeurtenissen hebben de maatschappij erg veranderd en veel onzekerheid gebracht. Nederlanders zijn voorzichtiger geworden. Vanuit een Vlaming geredeneerd, ze zijn minder arrogant geworden, en dat is soms heel prettig. Maar ik weet niet of voorzichtigheid fungeert als goede raadmeester achter een noodzakelijke samenwerking in de creatieve industrie.”
Beethoven
Dan begint hij over Beethoven. Die componist heeft niet meegemaakt wat wij wel met elkaar hebben meegemaakt. Hoe kan het dan dat velen zijn muziek wel begrijpen, terwijl dezelfde mensen hun wenkbrauwen fronzen bij de meeste hedendaagse componisten, gemaakt door mensen die dezelfde geschiedenis hebben en dezelfde lucht ademen. Haenen: “Dat komt volgens mij doordat moderne componisten teveel in hun eigen wereldje blijven hangen.” Daarom zijn pleidooi: “Ik weet dat mensen uit de danswereld zelden naar een klassiek concert gaan, en componisten amper een dans- of toneelvoorstelling bezoeken, en echt, wie de schoen passe, trekke hem aan, ook ik kom amper in het theater. Laten we daarom vaker naar elkaar luisteren en kijken, opdat we leren begrijpen waar anderen in andere kunstdisciplines mee bezig zijn. Dan ontstaan vanzelf die samenwerkingsverbanden.”