Terug naar overzicht

Legitimiteit en rekenmodellen

Hij vraagt zich in hoeverre de creatieve industrie bijdraagt aan onze economie. En hoe je prestaties in keiharde cijfers kunt vangen. Ole Bouman, directeur van Nederlands Architectuur Instituut, over Nederland als gidsland op het gebied van landbouw en het ontwerpen van processen. “Je kunt creativiteit niet puur bezien als economische activiteit.”

Het is het verhaal tussen hoop en de feiten, zegt Ole Bouman. Want het is natuurlijk een prachtige veronderstelling dat de creatieve industrie bijdraagt aan de vergroting van de internationale concurrentiekracht van Nederland, maar is dat wel zo. Die premisse leunt zwaar op het boek ‘The Rise of the Creative Class’ (2002) van Richard Florida waar tal van bestuurders sinds de verschijning blind achteraan rennen. Maar Bouman heeft nog geen bewijzen gezien dat creatieven als aparte sector breed bijdragen aan het bruto nationaal product van ons land. “Dat idee berust teveel op aannames.” Toch proberen we dat vermoeden vast te leggen in cijfers. Maar zijn die hard te maken? Bestaan er economische rekenmodellen die daarover voldoende overtuigen. En wat is die creatieve industrie eigenlijk. “De chemie en staalindustrie zijn veel duidelijker afgebakend. Dat zijn herkenbare sectoren. Van beide kun je exact sommetjes maken over hoeveel geld erin omgaat en aldus precies objectief vaststellen wat die branches bijdragen aan onze welvaart. Maar de creatieve industrie is een vaag begrip dat direct ook al een schijnbare tegenstelling in zich draagt. “Creativiteit leidt niet noodzakelijkerwijs tot productiviteit”.

L’art pour l’art

En iets anders. Misschien hanteren we het begrip creativiteit wel verkeerd. Bouman. “Creativiteit is een menselijke eigenschap, meer een mentaliteit en capaciteit, en die vind je ook bij werknemers in de chemie en staalsector.” Dat rechtvaardigt de vraag: valt de creatieve industrie wel te organiseren en daarmee als overkoepelende groep te faciliteren. Al die disciplines, toeleveranciers en freelancers, hoe borg je die als een herkenbaar geheel. “Een economisch instituut voor de creatieve industrie ontbreekt, net zoals jaarcijfers en een boegbeeldfiguur die je in andere branches ziet. Wie zou ooit de creatieve industrie kunnen vertegenwoordigen zoals Elco Brinkman de bouw. Het begrip creatieve industrie blijft dan ook ongrijpbaar: “Er blijft altijd het aspect van l’art pour l’art. De kunstsector zal immer blijven vasthouden aan de intrinsieke waarde. Waar het goed voor is en wat het oplevert blijven secundaire vragen. Maar die vraag moet wel gesteld worden als het over economische stimuleringssubsidies gaat.”

Ontwikkelingssamenwerking

Hetzelfde geldt voor de creatieve sector. Kan de overheid gericht beleid voor die industrie stimuleren en subsidiëren. Zo ja, dan moet je ook daar die politieke vraag stellen, vindt Bouman. Want wat is de legitimiteit om aan die sector overheidsgeld te besteden. Kom maar op met de cijfers. Immers: “Om een subsidie te verdedigen, moet je kunnen aantonen dat die investeringen lonen. Aldus wordt dat een politiek-maatschappelijke keuze. Je moet ervoor harde argumenten hebben. Zoals je die ook moet hebben voor andere overheidsuitgaven op het gebied van kunst en cultuur, en ontwikkelingssamenwerking. Wat is dus het belang? Daar kom je alleen achter als je die sector eerst tegen het licht houdt en met objectieve cijfers komt. Maar die rekenschap kunnen we nog niet geven. Dus ontbreekt een achterliggende noodzakelijk belang.”

Gewasinnovaties

Het verhaal van de hoop en de feiten. En nog iets. Wat is de typische kracht van de creatieve industrie in Nederland. Zeker: creativiteit is niet in een sector te vangen, maar te vinden in de meest uiteenlopende gebieden. Toch ziet Bouman een paar dingen sterke puntne: “We zijn sterk op het terrein van landbouw en landbouwtechniek waaronder gewasinnovaties, of in het ontwerpen en organiseren van ontwikkelingsprocessen. Branding kunnen we goed; hoe zet je een merk in de markt. Net zoals het slim positioneren van producten, het slim bijeenbrengen van expertise en het slim organiseren van productieprocessen.” Al die slimmigheid zouden we moeten objectiveren, opdat we die naar buiten kunnen brengen en gericht kunnen door ontwikkelen. “Of het nou gaat om innovatie in de landbouw of het productontwerp, Nederland zou daarin internationaal een sleutelpositie kunnen en moeten bekleden.” Maar dat gebeurt niet. “Individuen weten heel goed waar we goed in zijn, maar op landelijk niveau blijven we op dat terrein steken. En ja, dan kun je daar ook geen strategie op baseren.”

Vitaliteit

Daarom zijn beginvraag. “Laten we eerst eens kijken naar de specifieke kwaliteiten van de Nederlandse creatieve industrie en wat de overeenkomsten tussen al die losse disciplines zijn, voordat je die industrie als geheel wilt kapitaliseren.” Anders gezegd: waar hebben we het eigenlijk met elkaar over. Pas als je dat weet, kun je dat objectief maken, en daarmee mogelijke geldstromen claimen. Noem het een soort rekenmodel om de creatieve industrie te kwalificeren. Ook stedenbouwkundigen proberen dat te doen, weet Bouman. Een mooi voorbeeld van een oefening vooraf: “Wat is de economische waarde van architectuur voor een stad. Hoe reken je die door. En hoe breng je die kennis vervolgens weer in de markt.” De overheid zou daarin het goede voorbeeld kunnen geven. Door de samenhang te benaderen tussen stedenbouw en bewonerstrots, en de meerwaarde die een stad aldus als vestingplaats voor bedrijven krijgt. “Mensen willen blijven wonen op plekken die ze bevalt en dat trekt weer bedrijvigheid. De creatieve industrie speelt aldus een grote rol in het verhogen van vitaliteit en daarmee maatschappelijke loyaliteit.”

Onderhandelen

Als hij thema’s zou moeten benoemen waarop ons land al jaren vaart, zet hij in op de manier waarop we omgaan met het landschap met daaraan gekoppeld het dichtheidsprincipe. Verder interessant: Nederland als autoriteit op het gebied van ontwerpprocessen, en we zijn goede onderhandelaars. “Nederlandse architecten kunnen dat goed, hebben ze de afgelopen 150 jaar bewezen. Bouwen in ons land is erg ingewikkeld. Je hebt te maken met starre opdrachtgevers en de stem van het publiek. En toch slagen onze architecten er steeds weer in mooie gebouwen te maken.” Dat komt dus doordat ze goed kunnen wheelen en dealen. “Dat is vooral een kwestie van geduld. Succes krijg je alleen als je geduld hebt. Als je kunt wachten en gefocused blijft. Het slechtste wat ons kan overkomen, is dat we minder geduldig worden maar dat de processen even lang blijven duren. Een garantie voor frustratie, teleurstellingen en demotivatie. Of van een cultuur van de quick wins waarin de creativiteit wordt gesmoord.”

Reageer

Ole Bouman

Ole Bouman

Directeur NAi

Profielpagina